(1)
Voor we naar de dokter gingen, keken we niet.
Toen we terug kwamen, hingen ze al.
die middag telde papa witte rozen, mijne heertjes.
Keek iedereen van zich af.
Papa had zo'n grote mond, dametjes van me.
Mama had hem og gewaarschuwd
want papa was trots toen we gingen, keek niet.
Toen we terug kwamen gingen ook de rozen dood.
Papa is moeilijk aan het praten, hé?
dat geeft niet als jij jochie en jij meissie zo,
zo meer dan buiten mama en papa om
want papa was trots en nu weer.
(2)
Wat druppels in de hals nog witten
de doornen achter wat nu matglas is
en wonden waar ik hen heb afgesneden.
Ook daar zijn pluisjes op gaan zitten.
Niet levensvatbaar meeer, in tweevoud,
net als waar ze voor staan en blijven.
wit, want met die kleur kan alles
nog gedaan. nooit of te nimmer oud.
Geen zin om tranen op te vangen.
Ook ik wil pluisjes war het snijdt
en doornen die zo zachter drogen.
Zelden iets zo mooi de kop zien laten hangen.
(3)
Wat toch weer in een la
of achter in een kast verdwijnt,
mijn herinnering al uit is
en misschien wel nuttig was,
pak ik voorzichtig in.
Verhuisdoos na verhuisdoos.
Wat toch weer dagelijks gebruikt
wordt, duur en duurzaam is,
zijn plaats op bureau of tafel vindt
en me nabij staat, aanstaart,
prop ik bij elkaar.
Komozak op komozak.
Nog één keer de kapotte plinten
gepoetst, de gebarsten ruiten
gezeemd, het losgelaten behang
aan het jute erachter plakken.
dag oude zolder, wat ben je
al decennia mooi in aanbouw.
Als laatste mijn gedroogde rozen.
Wit, met randjes bruin eraan
van het blijven kijken naar
jullie zouden blijven staan.
Geen kleine voetjes hier
of in mijn nieuwe huis. Ik stop.
Bovenstaand drieluik maakte ik voor Esta en Anna, de ongeboren tweeling van Natas en ik, die vandaag vier jaar oud geworden zouden zijn. Het werd gepubliceerd in mijn tweede verzenbundeling bij de kleine Uil en in de bloemlezing 'Ik ben een bijl' bij Nijgh & van Ditmar.
Laatste reacties